Nieuwsbrief juni 2018

In dit nummer onder andere:

  • Ontstaan ab te voorkomen door overdracht aan kinderen
  • Geplande overgangsmaatregel voor geplande spoedmaatregel FE Vpb
  • Inkeer kan fiscus 20 jaar tijd geven om schenkbelasting na te vorderen
  • Inkorting 30%-regeling leidt tot onrust
  • Erfgenamen mogen niet zelf ODV verdelen
  • Complexe regels hypotheekrenteaftrek leidt tot veel aangiftefouten

De ondernemer en de DGA

Pas in 2019 invoering UBO-register

Aanvankelijk zou in de eerste helft van 2018 een wetsvoorstel tot het vormen van een register van uiteindelijk belanghebbenden (ultimate beneficial owners of UBO’s) van vennootschappen en andere juridische entiteiten worden ingediend. Ook de Kamer van Koophandel is met een UBO-register bezig. Maar inmiddels heeft de Europese Commissie een wijzigingsrichtlijn opgesteld. Deze wijzigingsrichtlijn verplicht onder meer een deel van de UBO-informatie openbaar te maken. Hierdoor moet het wetgevingstraject voor de totstandkoming van het UBO-register worden aangepast. De wijzigingsrichtlijn voorziet echter in een verlenging van de implementatietermijn voor dit onderdeel tot 18 maanden na inwerkingtreding van de wijzigingsrichtlijn. Het kabinet krijgt dus meer tijd om het UBO-register in te voeren. De minister van Financiën verwacht dat begin 2019 het voorstel valt in te dienen bij de Kamer.

Ontstaan ab te voorkomen door overdracht aan kinderen

Een aandeelhouder kan voorkomen dat hij een aanmerkelijk belang krijgt in een vennootschap door zijn (certificaten in) aandelen tijdig over te dragen aan zijn (minderjarige) kinderen. Eventueel kan hij daarbij gebruik maken van (door)certificering. Zo participeerde een man via een door hem opgerichte en bestuurde stichting in de dochtermaatschappij van zijn werkgever. De stichting bezat certificaten van aandelen (cva’s) in die B.V. De stichting deed aan doorcertificering. De man wist het zo te regelen dat zowel hij als zijn kinderen certificaten ontvingen. Op die manier voorkwam de man dat hij een aanmerkelijk belang in de B.V. kreeg. Zelf motiveerde hij zijn gebruik van de stichting om zo te verhullen dat zijn kinderen certificaten van aandelen hielden in de B.V. De Belastingdienst zag in deze gang van zaken een verboden constructie. Maar Hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat de wetgever deze mogelijkheid van zulke situaties nadrukkelijk heeft aanvaard. Ook in deze situatie moet de fiscus uitgaan van wat civielrechtelijk is overeengekomen.

Let op!
Het ontstaan van een aanmerkelijk belang valt niet te voorkomen door aandelen over te dragen aan de fiscale partner. Bij de toets of iemand een aanmerkelijk belang houdt van minstens 5% in een vennootschap kijkt men immers naar de aandelen die de belastingplichtige zelf en samen met deze partner houdt. Ook mogen de kinderen geen ab verkrijgen, anders vormen de aandelen die achterblijven bij de ouder door de meetrekregeling ook een ab.

Bond voor belastingbetalers bestrijdt box 3-heffing over 2017

De Bond voor Belastingbetalers roept belastingplichtigen op in bezwaar te gaan tegen de forfaitaire rendementsheffing van box 3 over 2017. De Bond meende al dat de berekening van de belasting vóór 1 januari 2017 in strijd was met het recht op ongestoord genot van eigendom. De regeling is inmiddels aangepast, maar blijft van forfaitaire aard. De Bond voor Belastingbetalers wil het kabinet aansporen om belasting over het reële rendement van het vermogen te heffen. Neem contact met ons op als u wilt dat wij voor u een bezwaarschrift opstellen.

Vennootschapsbelasting

Geplande overgangsmaatregel voor geplande spoedmaatregel FE Vpb

Naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de EU gaat de staatssecretaris van Financiën het regime van de fiscale eenheid sterk versoberen. In principe zullen deze maatregelen terugwerken tot 25 oktober 2017. De staatssecretaris van Financiën erkent dat de maatregelen tamelijk hard zijn en zal een overgangsregeling treffen. Onder voorwaarden zal de aftrekbeperking van de rente op schulden aan verbonden personen of lichamen geen effect hebben. Deze regeling zal gelden voor schulden die al bestaan op 25 oktober 2017, 11.00 uur. Bovendien moet de schuld verband houden met een besmette rechtshandeling die is verricht vóór 25 oktober 2017, 11.00 uur. De overgangsregeling zal in het geheel niet gelden als het bedrag van de renten op al die schulden tezamen per twaalf maanden € 100.000 te boven gaat.

Let op!
De overgangsmaatregel vindt evenmin toepassing als de inspecteur aannemelijk maakt dat de schuld of de besmette rechtshandeling heeft plaatsgevonden uit overwegingen die voor minder dan 50% zakelijk zijn.

Inhoud memo’s dividendbelasting

De minister-president heeft een brief naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarbij heeft hij ook diverse memo’s verstrekt over de afschaffing van de dividendbelasting. Uit de memo’s blijkt dat verschillende ambtenaren van het ministerie van Financiën tegen het integraal afschaffen van de dividendbelasting zijn. Zij menen dat deze maatregel vooral ten goede komt aan buitenlandse belastingdiensten. Nederlandse belastingplichtigen kunnen de dividendbelasting in principe verrekenen met hun inkomsten- of vennootschapsbelasting. Over de invloed van de afschaffing op het Nederlands vestigingsklimaat zijn de ambtenaren verdeeld. Sommigen menen dat de afschaffing van de dividendbelasting Nederland aantrekkelijker maakt, anderen denken dat niets uitmaakt.

Verband interne en externe lening moet voldoende duidelijk zijn

De rente op schulden aan gelieerde lichamen kan in aftrek zijn beperkt als de lening is gebruikt voor zogeheten besmette transacties. Deze renteaftrekbeperking blijft onder meer achterwege als de schuldenaar aannemelijk maakt dat hij feitelijk de rente is verschuldigd aan een derde partij. Dit is echter lastig aannemelijk te maken als een externe lening ontbreekt die duidelijk verband houdt (parallellie toont) met de interne lening. Een interne en externe lening vertonen bijvoorbeeld parallellie als zij dezelfde omvang (hoofdsom), looptijd, aflossingsschema en rentevergoeding kennen. Bovendien moet men de omvang en het aangaan van de leningen in onderlinge samenhang beoordelen.

BTW

Aftrek voorbelasting alleen over bedrijfsvermogen

Als een natuurlijk persoon wil dat zijn maatschap de BTW op een investeringsgoed kan aftrekken, zal hij aannemelijk moeten maken dat die maatschap de investering heeft gedaan. Zo had een echtpaar in een zaak voor Rechtbank Gelderland een maatschap opgericht. Het doel van de maatschap was om een of meerdere (onzelfstandige) werkkamers van een nieuw te bouwen eigen woning ter beschikking te stellen aan een of meerdere vennootschappen. De maatschap wilde de BTW op de grond en bouwkosten van de woning aftrekken. De facturen stonden echter op naam van het echtpaar. De maatschap stelde dat zij feitelijk had gehandeld alsof de woning was ingebracht door een huurovereenkomst met de B.V. van een van de maten te sluiten. Maar daarover was niets op papier gezet. De rechter oordeelde dat de woning niet behoorde tot het bedrijfsvermogen van de maatschap. De maatschap mocht daarom de BTW niet aftrekken.

Pas algemeenheid van goederen bij passend gebruik in eigen onderneming

De overdracht van een nieuw kantoor is in beginsel belast met BTW. Kwalificeert een kantorencomplex als een algemeenheid van goederen, dan blijft de heffing van omzetbelasting achterwege. Maar dan moet de overdrager het kantorencomplex wel hebben gebruikt in zijn onderneming. Dit gebruik moet bovendien passen binnen doel en strekking van de fictie van non-levering voor overdracht van ondernemingen of bedrijfsonderdelen voor de omzetbelasting. In een recente zaak voor Hof Arnhem-Leeuwarden bijvoorbeeld had een projectontwikkelaar een kantorencomplex laten ontwikkelen. De projectontwikkelaar verhuurde het complex gedurende een paar maanden vrij van BTW en verkocht het toen aan een derde. Volgens het hof heeft de projectontwikkelaar het kantorencomplex niet gebruikt in zijn onderneming op een manier die past bij de regeling voor de onbelaste overdracht. Het kantorencomplex was kennelijk bestemd voor verkoop in plaats van exploitatie.

Vereenvoudigde ABC-regeling

Stel uw cliënt is een Nederlandse BTW-ondernemer die goederen afneemt van een BTW-ondernemer uit een andere EU-lidstaat om deze goederen door te leveren aan een ondernemer in een EU-lidstaat. Als hij de leverancier de goederen direct laat vervoeren naar zijn afnemer, is het onder omstandigheden mogelijk dat hij BTW moet betalen in het land van aankomst van de goederen omdat hij intracommunautair verwerft. Vervolgens moet hij zijn afnemer de BTW van dat land in rekening brengen vanwege de (door)levering. Hierdoor moet hij zich laten registreren in de lidstaat van zijn afnemer. Deze registratie kan achterwege blijven als uw cliënt voldoet aan de voorwaarden van de vereenvoudigde ABC-regeling. Hij neemt dan de factuur met 0% BTW van zijn leverancier niet op in de aangifte en merkt de (door)levering naar de afnemer aan als intracommunautaire levering. Het Hof van Justitie van de EU heeft de toepassing van de vereenvoudigde ABC-regeling verruimd. De regeling is ook van toepassing als uw cliënt een BTW-nummer heeft van het land van zijn leverancier, maar de goederen heeft gekocht onder zijn Nederlandse BTW-nummer. Wel is het zo dat de fiscus een boete mag opleggen als uw cliënt administratieve verzuimen begaat bij het toepassen van de ABC-regeling.

Familievermogensrecht

Inkeer kan fiscus 20 jaar tijd geven om schenkbelasting na te vorderen

Stel dat jaren geleden een schenking heeft plaatsgevonden waarvoor de betrokken partijen geen aangifte schenkbelasting of schenkingsrecht (voorloper van de schenkbelasting) hebben gedaan. In dat geval gaan de aanslagtermijn en de navorderingstermijn in op de dag na de dag waarop de akte van het overlijden van de schenker of de begiftigde is ingeschreven. Dus zolang beiden nog leven, kan de inspecteur hen een aanslag opleggen. Dit blijkt ook uit een recente zaak voor Hof Den Haag. Het hof oordeelde dat de inspecteur mocht heffen over een schenking die een vrouw in 1991 had ontvangen van haar ouders. Zij en haar ouders hadden in 2013 een beroep gedaan op de inkeerregeling omdat zij buitenlands vermogen hadden verzwegen. Maar de Belastingdienst ontdekte niet veel later ook dat een deel van het verzwegen vermogen afkomstig was uit een niet-opgegeven schenking. Aangezien de vrouw en haar ouders nog in leven waren, was de navorderingstermijn niet verlopen. Dat inmiddels meer dan twintig jaren waren verstreken, deed daar niets aan af!

Let op!
Het is ook mogelijk dat de begunstigde wel aangifte schenkbelasting doet, maar daarmee te laat is. Deze situatie doet zich voor als meer dan vier maanden zijn verstreken na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden. In dat geval beginnen de aanslagtermijn en de navorderingstermijn te lopen na de dag na de aangifte. Als zowel de begunstigde als de schenker een rechtspersoon is, vervalt de (navorderings)aanslagtermijn na twintig jaar na de schenking.

Na herroeping schenking nieuw beroep op verhoogde vrijstelling mogelijk.

Een schenker kan zijn schenking herroepen als hij dit expliciet heeft laten opnemen in de akte van schenking. De begunstigde moet dan het geschonken bedrag terugstorten. De vraag komt dan op wat de gevolgen zijn als de begunstigde bij het ontvangen van de later herroepen schenking een beroep heeft gedaan op een eenmalige verhoogde vrijstelling van schenkbelasting. Strikt genomen gaat deze vrijstelling verloren door herroeping, omdat herroeping geen terugwerkende kracht heeft. De staatssecretaris van Financiën staat echter een nieuw beroep op de eenmalige verhoogde vrijstelling toch toe als de schenker later opnieuw een schenking doet. Maar de fiscus zal een hernieuwd beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling weigeren als de herroeping voor meer dan 50% is ingegeven door fiscale motieven. Bij fiscale motieven kunt u denken aan het alsnog in aanmerking proberen te komen voor een eenmalig verhoogde vrijstelling of voor een hogere vrijstelling.

Loonheffingen en sociale verzekeringen

Inkorting 30%-regeling leidt tot onrust

Het kabinet wil de periode verkorten waarin een werkgever op het loon van een specifieke werknemer de 30%-regeling mag toepassen. Deze periode is nu maximaal acht jaar, maar het is de bedoeling dat deze periode per 1 januari 2019 wordt ingekort naar vijf jaar. Deze plannen hebben al geleid tot de nodige onrust. Dit komt volgens onder andere Price Waterhouse Coopers (PWC) mede doordat het kabinet geen overgangsregeling wil treffen. PWC noemt als voorbeeld de situatie waarin een werknemer die aanvankelijk voor de periode van 1 januari 2014 tot 1 januari 2022 onder de 30%-regeling viel. Als gevolg van de wijziging en het gebrek aan overgangsrecht zal hij drie jaar minder gebruik kunnen maken van de 30%-regeling. Het is dan ook begrijpelijk dat de belastingadviespraktijk een overgangsregeling bepleit. Neem contact met ons op om te zien in welke mate uw werknemers worden getroffen door de voorgestelde maatregelen met betrekking tot de 30%-regeling.

Beëindigingsvergoeding wordt niet zomaar schadevergoeding

Een vergoeding die een werknemer ontvangt vanwege het beëindigen van zijn dienstbetrekking behoort in beginsel to zijn belastbare loon. Voor zover het feitelijk een vergoeding betreft van schade die niet voortkomt uit het normaal vervullen van de dienstbetrekking, is geen sprake van belast loon. Maar de Belastingdienst gaat niet zo snel ervan uit dat dit het geval is. Zo stelde een pedagogisch medewerkster dat de vergoeding die zij had ontvangen op grond van een beëindigingsovereenkomst een onbelaste schadevergoeding omhelsde. Zij was namelijk een paar jaar daarvoor mishandeld door een cliënt van haar werkgever en daardoor lichamelijk letsel opgelopen. Maar uit de beëindigingsovereenkomst volgde alleen dat de vergoeding was uitgekeerd als gevolg van de beëindiging van de dienstbetrekking. De vrouw wist evenmin enig verband aannemelijk te maken tussen het lichamelijk letsel en de ontvangen vergoeding. Zowel de fiscus als Hof Den Bosch vond daarom dat de vergoeding gewoon was belast.

Auto

Belastingdienst wijst bezwaar tegen BTW-correctie privégebruik auto af

Door de jaren heen zijn er zo’n twee miljoen bezwaren van ondernemers binnengekomen bij de Belastingdienst. De bezwaren waren gericht tegen de BTW-correctie wegens privégebruik van de zaak. De fiscus gaat daarbij uit van 2,7% van de cataloguswaarde van de auto. De Hoge Raad oordeelde vorig jaar dat de ondernemers beroep mochten aantekenen, mits ze goed konden onderbouwen hoeveel kilometers ze privé hadden gereden. Uiteindelijk hebben 1874 personen uiteindelijk alsnog bezwaar ingediend. Vaak was dat om bedragen terug te krijgen van een paar honderd tot duizend euro per jaar. Maar de Belastingdienst vindt de gegevens die de ondernemers hebben aangeleverd niet overtuigend. De fiscus heeft de bezwaren daarom afgewezen.

Tip!
Een ondernemer is niet verplicht zijn werkelijke privégebruik of het ontbreken daarvan te bewijzen met een kilometerregistratie. De kilometeradministratie is wel een middel dat de Belastingdienst relatief snel accepteert.

Toekomstvoorzieningen

Erfgenamen mogen niet zelf ODV verdelen

Als een dga met aanspraken op termijnen uit een oudedagsverplichting (ODV) komt te overlijden, komt de aanspraak aan de erfgenamen toe op basis van hun erfdeel. De dga kan deze gelijke verdeling voorkomen door de aanspraak aan een van de erfgenamen te legateren. Ook kan hij in zijn testament regelen dat een of meer erfgenamen bevoegd is om de nalatenschap te verdelen, waarbij de ODV-aanspraak aan een van de erfgenamen wordt toegedeeld. Zonder verdelingsbevoegdheid in het testament maakt een verdeling door de erfgenamen de ODV onzuiver. Overigens worden alle goederen van de nalatenschap inclusief de ODV-aanspraak van rechtswege toegedeeld aan de langstlevende partner als de wettelijke verdeling van toepassing is.

Tip!
In geval van een quasi-wettelijke verdeling verkrijgt de langstlevende de bevoegdheid om alle vermogensbestanddelen aan zichzelf toe te delen alsof de wettelijke verdeling van toepassing is. Ook dan is sprake van een bevoegdheid tot verdelen, zodat de ODV zuiver blijft. Hetzelfde geldt als het testament een keuze-legaat bevat en de langstlevende op basis van dat legaat de ODV-aanspraak legateert aan zichzelf. Als de langstlevende voor het verkrijgen van de gelegateerde aanspraak de waarde moet inbrengen, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Wel van belang is dat de langstlevende ook erfgenaam moet zijn.

Eigen woning

Complexe regels hypotheekrenteaftrek leidt tot veel aangiftefouten

Vereniging Eigen Huis (VEH) en diverse adviseurs stellen dat de regeling voor belastingaftrek van de hypotheekrente te complex is geworden. Dit probleem doet zich vooral voor bij belastingplichtigen die al diverse jaren een eigen woning hebben. Zij hebben vaak te maken met verschillende regelingen. Daarnaast hebben zij vaak te weinig overzicht over hun eigenwoninggeschiedenis. Daardoor kunnen zij niet de goede antwoorden geven op de vragen van hun adviseurs. VEH vermoedt dat de adviespraktijk wegens gebrek aan betrouwbare gegevens over de fiscale geschiedenis van de klanten op grote schaal fouten maakt in de aangifte. Verschillende hypotheekadviseurs benadrukken echter dat zij hun klanten juist informeren. Hoe dan ook vindt VEH dat deze situatie zo niet langer kan. In een onlangs verstuurde brief houdt zij de wetgever verantwoordelijk voor de toenemende complexiteit in de uitvoering van de eigenwoningregeling. VEH bepleit dat de fiscus een deel van de onzekerheid moet wegnemen. Dit kan volgens VEH door op verzoek in individuele gevallen de stand aan te geven van het resterende recht op renteaftrek.

Expat verliest hypotheekrenteaftrek door gebruik woning door neef

Wie minstens een jaar een eigen woning heeft gehad en naar het buitenland wordt uitgezonden, mag zijn Nederlandse woning onder voorwaarden als eigen woning blijven aanmerken. Hij behoudt dan zijn recht op hypotheekrenteaftrek. Een belangrijke voorwaarde is dat hij de woning niet aan derden ter beschikking stelt tijdens de periode van uitzending. Een recente uitspraak van Hof Den Bosch verduidelijkt dat men het begrip derden ruim moet opvatten. In deze zaak was een eigenaar van een woning uitgezonden naar het buitenland. Zijn vrouw ging met hem mee, terwijl zijn twee dochters de woning bleven bewonen. Daarnaast stond de man toe dat zijn studerende neef gebruik van de woning maakte. Deze neef stond ook ingeschreven op het adres van die woning. Volgens het hof had de man daarmee zijn woning ter beschikking gesteld aan een derde. Het gevolg was dat de woning voor hem geen eigen woning meer vormde en hij zijn hypotheekrente niet meer kon aftrekken.

Administratieve verplichtingen

Grijp tweede kans aan!

Wie in een beroepsprocedure de kans krijgt om alsnog getuigen te laten horen in de zitting, moet daarvan wel gebruik maken. Want de omstandigheid dat in een voorafgaande procedure de rechter ten onrechte het getuigenaanbod passeerde, wil niet zeggen dat het verwijzingshof die getuigen moet oproepen. Dit zal de belanghebbende of zijn gemachtigde zelf moeten doen. In een zaak voor Hof Amsterdam had de gemachtigde dat nagelaten. Bovendien kon hij niet bewijzen dat hij extra getuigen had opgeroepen. Dit leidde tot de ongegrondverklaring van het beroep van zijn cliënt.

Aansprakelijkheid zetelverplaatser beperkt tot verhaalverlies fiscus

Wie (bijvoorbeeld als bestuurder) betrokken is bij de zetelverplaatsing van een lichaam van Nederland naar het buitenland, doet er goed aan rekening te houden met aansprakelijkstelling. De ontvanger van de belastingen kan hem namelijk hoofdelijk aansprakelijk stellen voor onbetaalde schulden aan vennootschapsbelasting en dividendbelasting. Daartegenover staat dat voor de bestuurder een disculpatiemogelijkheid bestaat. Hij is namelijk niet aansprakelijk voor zover hij aannemelijk maakt dat hem niet valt te verwijten dat de belasting niet is voldaan. De Hoge Raad heeft deze disculpatiemogelijkheid onlangs nader gespecificeerd. De aansprakelijkheid van degene die met de zetelverplaatsing is belast, gaat niet verder dan wat door zijn toedoen is gewijzigd in de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger. Kan de bestuurder bewijzen dat de fiscus minder verhaal kan maken als gevolg van omstandigheden waar de bestuurder niets aan kan doen? En is daardoor de belastingschuld niet voldaan? Dan heeft de bestuurder daarmee bewezen dat hem geen blaam treft. De ontvanger mag de bestuurder in dat geval niet aansprakelijk stellen.

Informatiebeschikkingen moeten verschillend zijn

De inspecteur kan in voorbereiding van het opleggen van een aanslag de belastingplichtige een informatiebeschikking opleggen. Als de Belastingdienst vervolgens een aanslag oplegt voordat de eerdergenoemde informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, vervalt genoemde informatiebeschikking. Rechtbank Noord-Nederland heeft onlangs geoordeeld dat in zo’n geval de inspecteur later in de bezwaar- en beroepsprocedure geen identieke informatiebeschikking mag afgeven als nieuwe feiten of omstandigheden ontbreken. Anders zou de rechtsbescherming te veel in het gedrang komen. De rechtbank bevestigt dat de fiscus in beginsel in de bezwaarfase alsnog een informatiebeschikking mag nemen. Maar dit betreft de situatie waarin de Belastingdienst voor het opleggen van de naheffings- en navorderingsaanslagen nog geen informatiebeschikking heeft genomen. Als de inspecteur dit na het opleggen van deze aanslagen in de bezwaarfase alsnog wil doen, kan dat.