Nieuwsbrief augustus 2017

Inhoudsopgave nieuwsbrief augustus 2017

In dit nummer onder andere:

– Verhuizing vanwege opslagruimte al zakelijk
– Geen energie-investeringsaftrek voor overgenomen bedrijfsmiddel
– Geen btw-teruggaaf bij vernietiging voor crediteuren
– Privédagen tellen mee voor 183-dagenregeling
– Fiscus mag bij emigratie conserverende aanslag opleggen op deel lijfrenteaanspraak
– Rentswapkosten niet aftrekbaar als hypotheekrente

De ondernemer en de dga

Verhuizing vanwege opslagruimte al zakelijk

Als een IB-ondernemer in het kader van zijn onderneming verhuist, mag hij een forfaitair bedrag van € 7.750 (bedrag 2017) aftrekken aan verhuiskosten. Verhuist een ondernemer omdat hij in zijn huidige woonruimte geen apparatuur kan opslaan en in zijn nieuwe woning wel? Dan vindt volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant de verhuizing al plaats in het kader van de onderneming. Dat de rest van het bedrijf niet van plaats verandert, doet daar niets aan af.

Let op!
Een verhuizing vindt in ieder geval (maar niet uitsluitend!) in het kader van de onderneming plaats als binnen twee jaar na de verplaatsing van de onderneming door verhuizing de afstand tussen woning en onderneming met minstens 60% is afgenomen. Hierbij geldt dat de afstand tussen woning en onderneming vóór de verhuizing 25 kilometer of meer moet zijn geweest.

Ook bestuurder C.V. via buitenlands lichaam kan aansprakelijk zijn

Als een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid zijn belastingschulden niet betaalt, is ieder van de bestuurders van dat lichaam hoofdelijk aansprakelijk. Voor zover deze bestuurders zelf lichamen zijn, kan de ontvanger van de belastingen de bestuurders van die lichamen aansprakelijk stellen. Ondanks het feit dat het faillissement van een vof niet automatisch het faillissement van de vennoten meebrengt, mist een C.V. in principe rechtspersoonlijkheid. Wie bestuurder is van een buitenlands lichaam, dat weer optreedt als bestuurder van een Nederlandse C.V., is dus aansprakelijk te stellen voor de belastingschulden van de C.V. Dat het bestuur loopt via een buitenlands lichaam, maakt volgens Rechtbank Gelderland niet uit.

Vennootschapsbelasting

Geen energie-investeringsaftrek voor overgenomen bedrijfsmiddel

Het kan gebeuren dat een vennootschap investeert in een bedrijfsmiddel waarvoor zij de energie-investeringsaftrek (EIA) kan toepassen, maar nalaat deze faciliteit te benutten. Als een dochtervennootschap van de investeerder het energie-bedrijfsmiddel overneemt en krijgt geleverd, kan zij dan de EIA alsnog benutten? Rechtbank Den Haag meent van niet. Een B.V. die een warmtekrachtkoppelingsinstallatie van haar moedermaatschappij had overgenomen, deed nog een beroep op een verruiming in het investeringsaftrekbesluit. Maar deze verruiming is aan zeer strikte voorwaarden verbonden. De B.V. voldeed niet aan deze voorwaarden en mocht daarom de energie-investeringsaftrek niet toepassen. Overweegt u een investering te doen waarvoor u de EIA kunt claimen, vraag ons dan om u daarbij te begeleiden.

Zakelijke lening zonder zekerheid

Het niet bedingen van zekerheden bij het verstrekken van een lening aan een gelieerd lichaam zal vaak ertoe leiden dat de Belastingdienst concludeert dat de lening onzakelijk is. Toch hoeft dit niet altijd het geval te zijn. In een recente zaak voor Hof Arnhem-Leeuwarden had een B.V. in het kader van een herstructurering een superdividend van haar werkmaatschappij ontvangen. De werkmaatschappij was een deel van dit superdividend schuldig gebleven. Omdat de B.V. geen zekerheden had bedongen, was haar vordering op de werkmaatschappij volgens de fiscus een onzakelijke lening. Maar het hof was het daar niet mee eens. Uit de financiering die de werkmaatschappij van de bank kreeg, bleek dat de bank vertrouwen had in het herstructurering. Ook vormde de lening van de B.V. maar een klein deel van de financiering van de werkmaatschappij. Een onafhankelijke derde zou onder deze omstandigheden ook wel het debiteurenrisico accepteren dat de B.V. had gelopen. Toen de lening alsnog in waarde daalde, mocht de B.V. deze afwaardering aftrekken.

Fiscus mag wijziging boekjaar om incidenteel fiscaal voordeel negeren

Uit een recente uitspraak van Hof Amsterdam blijkt eens te meer dat de Belastingdienst een wijziging van het boekjaar van een vennootschap mag negeren als deze wijziging dient om een incidenteel fiscaal voordeel te behalen. In de desbetreffende zaak had een B.V. via een statutenwijziging op 28 november 2003 haar boekjaar gewijzigd. Het boekjaar begon daardoor op 1 januari 2003 en eindigde op 30 november 2003. Op 29 november 2004 ging de B.V. weer over op het kalenderjaar als boekjaar. Het boekjaar dat was begonnen op 1 december 2003 eindigde op daardoor op 31 december 2004. De B.V. stelde dat nu geen sprake was van een boekjaar 2004 maar alleen een lang boekjaar 2003/2004. Dit had als bijkomend effect dat de Belastingdienst niet zou kunnen navorderen over 2004. Het hof ging echter niet mee in deze redenering. De wijziging van het boekjaar was namelijk bedoeld opdat de B.V. langer gebruik kon maken van een bepaald overgangsrecht. Dit was een incidenteel fiscaal voordeel. De inspecteur mocht daarom de wijziging van het boekjaar negeren.

BTW

Dga met vakkennis moet stelselmatige fraude herkennen

Een B.V. dreef een schoonmaakbedrijf en gebruikte daarvoor de diensten van een uitzendbureau en van onderaannemers. De B.V. ging ervan uit dat de btw werd verlegd naar haar opdrachtgevers. Het schoonmaakbedrijf trok de btw die de dienstverleners factureerden af, terwijl de dienstverleners de btw niet afdroegen. In een beroepsprocedure constateerde Hof Amsterdam dat dit alles stelselmatig gebeurde. De rechter oordeelde dat de dienstverleners opzettelijk de verleggingsregeling niet hadden toegepast en te weinig btw op aangiften voldeden. De B.V. had volgens het hof moeten weten van deze btw-fraude evenals van haar indirecte betrokkenheid. Haar dga was namelijk vanaf de start van de onderneming bekend met de schoonmaakbranche. Ook kende hij de voor die branche geldende verleggingsregeling. Onder deze omstandigheden had de B.V. geen recht op aftrek van voorbelasting. De Belastingdienst mocht de afgetrokken btw naheffen.

Geen btw-teruggaaf bij vernietiging voor crediteurenbescherming

Tijdens een faillissement kan de curator bepaalde rechtshandelingen als het ware vernietigen als en voor zover deze rechtshandelingen de faillissementscrediteuren hebben benadeeld. Deze vernietiging ter bescherming van de crediteuren werkt alleen ten opzichte van de boedel. Als de desbetreffende rechtshandeling een belastbaar feit was voor de omzetbelasting, blijft dit feit volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant ook na de ‘vernietiging’ rechtsgeldig. De leverancier kan daardoor de afgedragen btw niet terugvragen. Bij een echte vernietiging zou dat wel mogelijk zijn.

Familievermogensrecht

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit overdrachtsbelasting geldt ook voor aandelen

Als een ondernemer aan bepaalde familieleden (waaronder kinderen) de onroerende zaken van zijn bedrijf overdraagt, is onder voorwaarden een vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing. Een belangrijke voorwaarde is dat de onroerende zaken tot het ondernemingsvermogen behoren en dienstbaar zijn aan die onderneming. Daarnaast moeten de verkrijgers de onderneming voortzetten. Onder voorwaarden telt de verkrijging van aandelen in een vastgoedlichaam als een verkrijging van onroerende zaken voor de heffing van overdrachtsbelasting. In dat geval is volgens de letterlijke wettekst de vrijstelling bij een bedrijfsopvolging niet van toepassing. Rechtbank Noord-Holland heeft echter geoordeeld dat in zo’n situatie men door de rechtspersoon moet heen kijken. Dus als de verkrijging van de vastgoedportefeuille zelf zou leiden tot toepassing van de vrijstelling bij bedrijfsopvolging, geldt deze vrijstelling ook bij een verkrijging van de aandelen in het vastgoedlichaam.

Loonheffingen en sociale verzekeringen

Privédagen tellen mee voor 183-dagenregeling

Op grond van veel belastingverdragen die Nederland heeft gesloten met andere landen is het loon dat een inwoner van een ander land behaalt met een dienstbetrekking in Nederland onder voorwaarden alleen belast in het woonland. Een belangrijke voorwaarde is dat de buitenlandse werknemer hooguit 183-dagen in Nederland is verbleven. Het begrip verblijven moet men volgens de Hoge Raad uitleggen als fysiek aanwezig zijn. Het gaat dus niet alleen om dagen waarin de werknemer in Nederland werkt, maar ook om de overige dagen van aanwezigheid in de werkstaat die enig verband houden met de werkzaamheden daar. Bij overige dagen valt te denken aan zaterdagen, zondagen, vakanties en vrije dagen voor, tijdens of na beëindiging van werkzaamheden of korte onderbrekingen daarvan.

Let op!
De privédagen tellen alleen mee voor de 183-dagenregeling bij het toetsen van het heffingsrecht van Nederland. Blijkt dat Nederland het heffingsrecht heeft, dan tellen alleen de werkdagen mee bij de berekening van het deel van het loon waarover Nederland mag heffen.

Alles of niets met vrijwilligersvergoeding

Als een vrijwilliger voor zijn werkzaamheden voor bepaalde organisaties niet meer ontvangt dan € 150 per maand en € 1.500 per kalenderjaar, vormt de vrijwilligersvergoeding geen belast loon. De vergoeding mag overigens geen marktconforme beloning zijn. Zodra de bruto vergoeding het maximumbedrag van € 1.500 overschrijdt, is de vrijwilligersregeling niet van toepassing. Het is dus niet zo dat de opdrachtgever geen loonbelasting hoeft in te houden over de eerste € 1.500.

Let op!
De vrijwilligersregeling geldt alleen als de werkzaamheden zijn verricht voor een algemeen nut beogende instelling, een sportorganisatie of een lichaam dat is vrijgesteld van of niet onderworpen aan vennootschapsbelasting.

Auto

Overheid vernietigt ANPR-gegevens

In februari 2017 van dit jaar oordeelde de Hoge Raad dat het gebruik van beelden die met ANPR-camera’s zijn vastgelegd een ontoelaatbare inbreuk op de privacy vormt. Naar aanleiding van dit arrest heeft de Autoriteit Persoonsgegevens de Belastingdienst verzocht de beelden inclusief de bijbehorende metadata (gegevens over de datum, tijd en plaats) te vernietigen. De staatssecretaris van Financiën liet onlangs weten dat deze vernietiging begin mei 2017 heeft plaatsgevonden. Hij kan echter niet uitsluiten dat in decentrale bestanden nog ANPR-camerabeelden zijn opgeslagen. De fiscus zal de komende tijd onderzoeken hoe eventuele beelden daaruit alsnog te verwijderen en te vernietigen zijn. De Belastingdienst gaat bovendien de verwerkingstijd en de periode waarin de vernietiging van de fiscaal niet-relevante camerabeelden plaatsvindt voor de motorrijtuigenbelasting en BPM opnieuw beoordelen. De processen worden zo mogelijk versneld. Na aanpassing van die processen wil de fiscus in overleg met de Autoriteit Persoonsgegevens weer ANPR-camerabeelden gebruiken.

Bestelauto met afneembare bovenbouw

Als een ondernemer een bestelauto voor meer dan 10% gebruikt ten behoeve van zijn onderneming, kan hij een vrijstelling van BPM en een lager tarief voor de motorrijtuigenbelasting toepassen. Motorrijtuigen met ‘oplegtrekker’ of ‘afneembare bovenbouw’ als bovenbouwvermelding zijn zonder oplegger, aanhanger, afneembare opbouw of container ook te gebruiken. Strikt genomen zijn deze voertuigen geen bestelauto’s. Maar de staatssecretaris keurt goed dat een motorrijtuig met een (kaal) chassis waarop een koppelschotel met een hulpframe of containerframe is gemonteerd, wordt aangemerkt als een bestelauto. Hetzelfde geldt voor een motorrijtuig dat is gekeurd met een afneembare bovenbouw op het moment dat de bovenbouw tijdelijk niet aanwezig is. Voor de rest moet het motorrijtuig wel voldoen aan de inrichtingseisen voor bestelauto’s.

Tarief 2014 voor BPM-aangifte over 2015

In een recente zaak voor Rechtbank Noord-Holland had een vrouw in 2015 aangifte BPM vanwege de registratie van een Fiat 500C 1.9 TwinAir Easy. Ze ontdekte aan de hand van een overzicht uit het Nederlandse kentekenregister dat 87 referentievoertuigen in 2015 waren onderworpen aan het lagere BPM-tarief van 2014. De Belastingdienst stelde dat de aangifte voor deze referentievoertuigen vermoedelijk al in 2014 waren gedaan. Voor de rechtbank maakte dat niet uit, omdat het belastbare feit – de registratie – had plaatsgevonden in 2015. In deze situatie was sprake van een verboden vorm van fiscale discriminatie. De rechtbank oordeelde daarom dat de vrouw ook het BPM-tarief voor 2014 mocht toepassen.

Toekomstvoorzieningen

Fiscus mag bij emigratie conserverende aanslag opleggen op deel lijfrenteaanspraak

De stamrechtvrijstelling in de loonbelasting is per 1 januari 2014 komen te vervallen. Toch zijn er nog zaken die spelen met betrekking tot de stamrecht-B.V.’s. Dat komt doordat de Belastingdienst een conserverende aanlag oplegt als een belastingplichtige naar het buitenland emigreert terwijl hij aanspraken op lijfrente-uitkeringen of pensioen heeft opgebouwd. Onlangs kreeg de Hoge Raad de prejudiciële vraag voorgelegd of zulke conserverende aanslagen in strijd zijn met de goede verdragstrouw. De Hoge Raad is tot het volgende oordeel gekomen. Voor zover premies lijfrenten zijn betaald en afgetrokken in de periode van 1 januari 1992 tot 1 januari 2001 of in de periode na 15 juli 2009, mag de fiscus een conserverende aanslag opleggen. In dat geval is namelijk sprake van het terugnemen van een voorwaardelijke aftrek. De Hoge Raad redeneert op een vergelijkbare wijze als het gaat om de conserverende aanslag over opgebouwde pensioenaanspraken bij emigratie. Voor zover negatieve uitgaven bij emigratie voorwaardelijk onbelast gebleven aanspraken betreffen, mag de Belastingdienst daarover een conserverende aanslag opleggen. Aan de voorwaarden voor de vrijstelling wordt immers niet meer voldaan. Voor zover het gaat om aanspraken en bijdragen die tot en met 15 juli 2009 onbelast zijn gebleven, staat de goede verdragstrouw heffing over dit deel van de pensioenaanspraak in de weg. Hebt u emigratieplannen en wilt u weten of u een conserverende aanslag kunt verwachten, neem dan contact met ons op.

Handreiking elders verzekerd pensioen einde PEB

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) heeft zijn Handreiking Fiscale behandeling elders verzekerd pensioen vernieuwd. In deze handreiking gaat het CAP in op de vraag hoe de in eigen beheer verzekerde aanspraken zijn vast te stellen en hoe na afloop van de coulancetermijn men kan omgaan met het elders verzekerde deel van het pensioen. De handreiking beschrijft situaties waarin het in eigen beheer verzekerde pensioen gehandhaafd wordt en het elders verzekerde pensioen niet binnen de coulancetermijn naar eigen beheer is overgedragen. Het CAP maakt een onderscheid tussen een dekkingspolis, een bepaald elders verzekerd pensioen en een onbepaald elders verzekerd pensioen. Gezien de verschillen in fiscale behandeling van deze drie vormen zal men eerst moeten nagaan om wat voor een polis het gaat, om vervolgens de relevante paragraaf van de handreiking te raadplegen.

Eigen woning

Renteswapkosten niet aftrekbaar als hypotheekrente

Stel dat een belastingplichtige zijn lopende leningen voor zijn eigen woning oversluit. Op de nieuwe kredietovereenkomst betaalt de eigenwoningbezitter een variabele rente. Door ook een zogeheten forward starting interest rate swap aan te gaan, betaalt hij effectief gezien een vaste rente. De vraag die deze situatie oproept is of de kosten van de forward starting interest rate swap kwalificeren als aftrekbare kosten van de eigenwoningschuld. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet het geval is. Men moet het begrip aftrekbare kosten van de eigen woningschuld beperkt uitleggen. Uitsluitend kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het opnemen, verlengen of aflossen van de eigenwoningschuld, kwalificeren als aftrekbare kosten. Hieronder vallen ook taxatiekosten, afsluitprovisies en hypotheekaktekosten. Maar de vergoeding voor een swapovereenkomst is geen aftrekbare uitgave. Zelfs als partijen bij het aangaan van de herfinanciering een samenhang bedoelen tussen de overeenkomsten van geldlening en de swapovereenkomsten, is die samenhang onvoldoende om de kosten van renteswaps gelijk te stellen met hypotheekrente.

Samenwoner telde als derde tijdens uitzending

Als een eigenaar van een eigen woning wordt uitgezonden naar het buitenland, valt zijn eigen woning in box 3 tenzij wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden. Een belangrijke voorwaarde voor de eigen woning om in box 1 te blijven is dat gedurende de uitzending de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld. In een recente zaak voor Rechtbank Gelderland was een man in 2008 uitgezonden naar Duitsland. De vrouw waarmee hij jarenlang samenleefde, bleef achter in de woning. In deze situatie was geen sprake was van een huwelijk, geregistreerd of fiscaal partnerschap. Vanaf het moment van de uitzending was evenmin sprake van een gemeenschappelijke huishouding. Daardoor telde de vrouw als een derde. Omdat zij als derde de beschikking over de woning had, kon de woning niet langer als eigen woning kwalificeren en viel bij de man in box 3.

Let op!
Tot 1 januari 2008 was het voeren van een gezamenlijke huishouding een voorwaarde voor ongehuwden om te kwalificeren als partner voor de inkomstenbelasting. Deze voorwaarde geldt niet meer. Ongehuwden moeten nu geregistreerd staan op hetzelfde woningadres in de basisregistratie personen.

Administratieve verplichtingen

Aansprakelijkheid voor actieve ex-bestuurder

Als een aandeelhouder en bestuurder van een B.V. na zijn aftreden gewoon doorgaat met zijn werkzaamheden voor de B.V., zal de fiscus hem voor de toepassing van de bestuurdersaansprakelijkheid nog als bestuurder zien. Dit was ook het geval in een zaak voor Hof Den Bosch. Daarbij speelde onder meer een rol dat de nieuwe, formele bestuurder zich feitelijk niet bemoeide met het dagelijkse bestuur van de B.V. Niet hij, maar de ‘ex-bestuurder’ vormde het aanspreekpunt tijdens de belastingcontrole. Verder verklaarde een werkneemster van de B.V. niet eens te weten dat de voormalige bestuurder geen formele bestuurder meer was. De Belastingdienst kon al met al de ‘ex-bestuurder’ aansprakelijk stellen voor de onbetaalde belastingschulden van de B.V.

Belastingplichtige moet snel reageren op trage inspecteur

Belastingplichtigen kunnen beroep instellen tegen de weigering van de Belastingdienst om (tijdig) een besluit te nemen. In principe is men daarbij niet gebonden aan een beroepstermijn. De rechter zal het beroep echter niet-ontvankelijk verklaren als de belanghebbende het beroepschrift onredelijk laat indient. Een recente zaak voor Hof Den Haag vormt een voorbeeld van zo’n onredelijk laat beroepschrift. Het hof vond dat de belanghebbende een beroepschrift had moeten indienen binnen zes weken nadat het duidelijk was dat de inspecteur niet (tijdig) een beslissing op een bezwaarschrift zou nemen. In dit geval had de belanghebbende ruim acht jaar gedaan over het indienen van een beroepschrift. Dit was onredelijk laat, zodat zijn beroepschrift niet-ontvankelijk was.